Ezechiël 43:15
“Zo zal het altaar vier el hoog zijn; en van het altaar en opwaarts zullen er vier hoornen zijn.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 43 — omringende verzen
Gij, mensenkind, toon het huis aan het huis Israëls, opdat zij zich schamen over hun ongerechtigheden; en laten zij het patroon opmeten.
11En indien zij zich schamen over alles wat zij gedaan hebben, toon hun dan de gedaante van het huis, en de indeling ervan, en de uitgangen ervan, en de ingangen ervan, en al zijn vormen, en al zijn inzettingen, en al zijn vormen, en al zijn wetten; en schrijf het op voor hun ogen, opdat zij de gehele gedaante ervan en al zijn inzettingen bewaren en die doen.
12Dit is de wet van het huis: op de top van de berg zal zijn gehele grondgebied rondom allerheiligst zijn. Zie, dit is de wet van het huis.
13En dit zijn de maten van het altaar naar de ellen: de el is een el en een handbreedte; en de bodem zal een el zijn, en de breedte een el, en de rand ervan aan zijn kant rondom een span; en dit zal het verhoogde gedeelte van het altaar zijn.
14En van de bodem op de grond tot aan de onderste richel zal het twee el zijn, en de breedte één el; en van de kleinere richel tot aan de grotere richel zal het vier el zijn, en de breedte één el.
Zo zal het altaar vier el hoog zijn; en van het altaar en opwaarts zullen er vier hoornen zijn.
En het altaar zal twaalf el lang zijn, twaalf el breed, vierkant aan zijn vier zijden.
17En de richel zal veertien el lang en veertien el breed zijn aan zijn vier zijden; en de rand eraan zal een halve el zijn; en de bodem ervan zal een el rondom zijn; en zijn treden zullen naar het oosten gekeerd zijn.
18En hij zeide tot mij: Mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de inzettingen van het altaar op de dag wanneer zij het zullen maken, om daarop brandoffers te offeren en bloed daarop te sprenkelen.
19En gij zult aan de priesters, de Levieten, die van het zaad van Zadok zijn, die tot Mij naderen om Mij te dienen, zegt de Heere HEERE, een jonge stier geven voor een zondoffer.
20En gij zult van zijn bloed nemen en het doen op de vier hoornen ervan, en op de vier hoeken van de richel, en op de rand rondom; zo zult gij het reinigen en verzoenen.