Ezechiël 45:4
“Het heilige gedeelte van het land zal zijn voor de priesters, de dienaars van het heiligdom, die naderen om de HEERE te dienen; en het zal een plaats zijn voor hun huizen en een heilige plaats voor het heiligdom.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 45 — omringende verzen
Voorts, wanneer gij het land door het lot verdeelt als erfenis, zult gij een hefoffer aan de HEERE offeren, een heilig gedeelte van het land; de lengte zal zijn vijfentwintigduizend riet, en de breedte tienduizend. Dit zal heilig zijn in al zijn grenzen rondom.
2Hiervan zal voor het heiligdom zijn vijfhonderd in de lengte en vijfhonderd in de breedte, vierkant rondom; en vijftig el rondom voor zijn voorstad.
3En van dit maatstuk zult gij de lengte meten van vijfentwintigduizend, en de breedte van tienduizend; en daarin zal het heiligdom zijn en het heilige der heiligen.
Het heilige gedeelte van het land zal zijn voor de priesters, de dienaars van het heiligdom, die naderen om de HEERE te dienen; en het zal een plaats zijn voor hun huizen en een heilige plaats voor het heiligdom.
En de vijfentwintigduizend in lengte en de tienduizend in breedte zullen ook de Levieten, de dienaars van het huis, voor zichzelf hebben, als bezit voor twintig kamers.
6En gij zult het bezit van de stad aanwijzen, vijfduizend breed en vijfentwintigduizend lang, tegenover het hefoffer van het heilige gedeelte; het zal zijn voor het gehele huis Israëls.
7En een deel zal voor de vorst zijn aan de ene zijde en aan de andere zijde van het hefoffer van het heilige gedeelte en van het bezit van de stad, voor het hefoffer van het heilige gedeelte en voor het bezit van de stad, aan de westzijde westwaarts en aan de oostzijde oostwaarts; en de lengte zal zijn evenwijdig aan een van de gedeelten, van de westgrens tot de oostgrens.
8In het land zal dit zijn bezit zijn in Israël; en Mijn vorsten zullen Mijn volk niet langer verdrukken; en het overige van het land zullen zij geven aan het huis Israëls, naar hun stammen.
9Zo zegt de Heere HEERE: Het zij u genoeg, o vorsten van Israël; doe geweld en plundering weg, en oefen recht en gerechtigheid; houd op uw volk te beroven, spreekt de Heere HEERE.