Terug naar Ezra 10
VSV
Statenvertaling

Ezra 10:7

En zij lieten een uitroep doen door heel Juda en Jeruzalem aan alle kinderen der ballingschap, dat zij zich te Jeruzalem moesten verzamelen;

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 10 — omringende verzen

2

En Sechanía, de zoon van Jehiël, een van de zonen van Elam, antwoordde en zeide tot Ezra: Wij hebben ontrouw gehandeld jegens onze God en vreemde vrouwen genomen van de volken des lands; maar nu is er hoop voor Israël aangaande deze zaak.

3

Nu dan, laat ons een verbond maken met onze God om al de vrouwen weg te zenden, en de uit hen geborenen, naar de raad van mijn heer en van hen die beven voor het gebod van onze God; en laat het gedaan worden naar de wet.

4

Sta op, want deze zaak behoort u toe; wij zullen ook met u zijn: wees moedig en doe het.

5

Toen stond Ezra op en liet de overpriesters, de Levieten en heel Israël zweren dat zij naar dit woord zouden handelen. En zij zwoeren.

6

Daarna stond Ezra op van voor het huis Gods en ging naar de kamer van Johanan, de zoon van Eliasib; en toen hij daar gekomen was, at hij geen brood en dronk hij geen water, want hij rouwde om de overtreding van hen die in ballingschap waren geweest.

7

En zij lieten een uitroep doen door heel Juda en Jeruzalem aan alle kinderen der ballingschap, dat zij zich te Jeruzalem moesten verzamelen;

8

en dat wie niet binnen drie dagen zou komen, naar het besluit van de vorsten en de oudsten, al zijn bezit verbeurd zou worden verklaard, en hijzelf afgesneden zou worden van de gemeente van hen die in ballingschap waren geweest.

9

Toen verzamelden alle mannen van Juda en Benjamin zich binnen drie dagen te Jeruzalem. Het was de negende maand, op de twintigste dag van de maand; en al het volk zat op het plein van het huis Gods, bevend vanwege deze zaak en vanwege de zware regen.

10

En Ezra de priester stond op en zeide tot hen: Gij hebt overtreden en hebt vreemde vrouwen genomen, waardoor de schuld van Israël is vergroot.

11

Nu dan, belijdt het aan de HEER, de God uwer vaderen, en doet wat Hem behaagt: scheidt u af van de volken des lands en van de vreemde vrouwen.

12

Toen antwoordde de gehele gemeente en zeide met luider stem: Zoals gij gezegd hebt, zo moeten wij doen.