Terug naar Ezra 10
VSV
Statenvertaling

Ezra 10:11

Nu dan, belijdt het aan de HEER, de God uwer vaderen, en doet wat Hem behaagt: scheidt u af van de volken des lands en van de vreemde vrouwen.

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 10 — omringende verzen

6

Daarna stond Ezra op van voor het huis Gods en ging naar de kamer van Johanan, de zoon van Eliasib; en toen hij daar gekomen was, at hij geen brood en dronk hij geen water, want hij rouwde om de overtreding van hen die in ballingschap waren geweest.

7

En zij lieten een uitroep doen door heel Juda en Jeruzalem aan alle kinderen der ballingschap, dat zij zich te Jeruzalem moesten verzamelen;

8

en dat wie niet binnen drie dagen zou komen, naar het besluit van de vorsten en de oudsten, al zijn bezit verbeurd zou worden verklaard, en hijzelf afgesneden zou worden van de gemeente van hen die in ballingschap waren geweest.

9

Toen verzamelden alle mannen van Juda en Benjamin zich binnen drie dagen te Jeruzalem. Het was de negende maand, op de twintigste dag van de maand; en al het volk zat op het plein van het huis Gods, bevend vanwege deze zaak en vanwege de zware regen.

10

En Ezra de priester stond op en zeide tot hen: Gij hebt overtreden en hebt vreemde vrouwen genomen, waardoor de schuld van Israël is vergroot.

11

Nu dan, belijdt het aan de HEER, de God uwer vaderen, en doet wat Hem behaagt: scheidt u af van de volken des lands en van de vreemde vrouwen.

12

Toen antwoordde de gehele gemeente en zeide met luider stem: Zoals gij gezegd hebt, zo moeten wij doen.

13

Maar het volk is talrijk, en het is een tijd van veel regen, en wij kunnen niet buiten staan; ook is dit geen werk van één of twee dagen, want wij zijn velen die in deze zaak overtreden hebben.

14

Laat onze oversten voor de gehele gemeente optreden, en laten allen die in onze steden vreemde vrouwen genomen hebben, op vastgestelde tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en haar rechters, totdat de brandende toorn van onze God over deze zaak van ons gewend is.

15

Alleen Jonatan, de zoon van Asahel, en Jahazia, de zoon van Tikva, waren met deze zaak belast; en Mesullam en Sabbethai, de Leviet, stonden hen bij.

16

En de kinderen der ballingschap deden aldus. En Ezra de priester werd afgezonderd met enige hoofden der vaders, naar het huis hunner vaderen, allen met name aangeduid, en zij zaten neer op de eerste dag van de tiende maand om de zaak te onderzoeken.