Terug naar Ezra 6
VSV
Statenvertaling

Ezra 6:11

Ook heb ik een bevel uitgevaardigd, dat wie ook dit gebod verandert, er een balk uit zijn huis weggetrokken zal worden, en daaraan opgericht zijnde, zal hij daaraan gehangen worden; en zijn huis zal tot een mesthoop gemaakt worden om deze zaak.

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 6 — omringende verzen

6

Nu dan, Tatnaï, landvoogd aan gene zijde van de rivier, Sethar-Boznaï, en uw metgezellen, de Afarsachieten, die aan gene zijde van de rivier zijn, blijft ver vandaar.

7

Laat het werk van dit huis Gods met rust; laat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods op zijn plaats bouwen.

8

Voorts vaardig ik een bevel uit wat gij doen zult aan de oudsten dezer Joden voor de bouwing van dit huis Gods: dat uit de goederen des konings, namelijk uit de belasting aan gene zijde van de rivier, terstond de kosten aan deze mannen gegeven worden, opdat zij niet gehinderd worden.

9

En hetgeen zij nodig hebben, zowel jonge stieren als rammen en lammeren, voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het voorschrift van de priesters die te Jeruzalem zijn, laat het hun dag aan dag gegeven worden zonder verzuim,

10

Opdat zij offers van aangename reuk aan de God des hemels mogen offeren, en bidden voor het leven van de koning en van zijn zonen.

11

Ook heb ik een bevel uitgevaardigd, dat wie ook dit gebod verandert, er een balk uit zijn huis weggetrokken zal worden, en daaraan opgericht zijnde, zal hij daaraan gehangen worden; en zijn huis zal tot een mesthoop gemaakt worden om deze zaak.

12

En de God Die Zijn Naam daar heeft doen wonen, vernielige alle koningen en volken die hun hand uitsteken om te veranderen en te verwoesten dit huis Gods dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb een bevel uitgevaardigd; laat het met spoed gedaan worden.

13

Toen hebben Tatnaï, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, Sethar-Boznaï en hun metgezellen, overeenkomstig hetgeen koning Darius gezonden had, het spoedig alzo gedaan.

14

En de oudsten der Joden bouwden, en zij hadden voorspoed door de profetie van Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. En zij bouwden en voltooiden het, overeenkomstig het gebod van de God Israëls, en overeenkomstig het gebod van Kores en Darius en Arthahsasta, de koning van Perzië.

15

En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand Adar, dat was in het zesde jaar van het koninkrijk van koning Darius.

16

En de kinderen Israëls, de priesters en de Levieten, en de overige kinderen der wegvoering, hielden de inwijding van dit huis Gods met blijdschap.