Ezra 6:9
“En hetgeen zij nodig hebben, zowel jonge stieren als rammen en lammeren, voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het voorschrift van de priesters die te Jeruzalem zijn, laat het hun dag aan dag gegeven worden zonder verzuim,”
Kruisverwijzingen
Context
Ezra 6 — omringende verzen
Met drie rijen grote stenen en een rij nieuw hout; en laat de kosten gegeven worden uit het huis des konings.
5En ook de gouden en zilveren voorwerpen van het huis Gods, die Nebukadnezar uit de tempel die te Jeruzalem is, weggenomen en naar Babel gebracht heeft, laat die teruggegeven worden en wederom gebracht worden naar de tempel die te Jeruzalem is, elk op zijn plaats, en plaats ze in het huis Gods.
6Nu dan, Tatnaï, landvoogd aan gene zijde van de rivier, Sethar-Boznaï, en uw metgezellen, de Afarsachieten, die aan gene zijde van de rivier zijn, blijft ver vandaar.
7Laat het werk van dit huis Gods met rust; laat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods op zijn plaats bouwen.
8Voorts vaardig ik een bevel uit wat gij doen zult aan de oudsten dezer Joden voor de bouwing van dit huis Gods: dat uit de goederen des konings, namelijk uit de belasting aan gene zijde van de rivier, terstond de kosten aan deze mannen gegeven worden, opdat zij niet gehinderd worden.
En hetgeen zij nodig hebben, zowel jonge stieren als rammen en lammeren, voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het voorschrift van de priesters die te Jeruzalem zijn, laat het hun dag aan dag gegeven worden zonder verzuim,
Opdat zij offers van aangename reuk aan de God des hemels mogen offeren, en bidden voor het leven van de koning en van zijn zonen.
11Ook heb ik een bevel uitgevaardigd, dat wie ook dit gebod verandert, er een balk uit zijn huis weggetrokken zal worden, en daaraan opgericht zijnde, zal hij daaraan gehangen worden; en zijn huis zal tot een mesthoop gemaakt worden om deze zaak.
12En de God Die Zijn Naam daar heeft doen wonen, vernielige alle koningen en volken die hun hand uitsteken om te veranderen en te verwoesten dit huis Gods dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb een bevel uitgevaardigd; laat het met spoed gedaan worden.
13Toen hebben Tatnaï, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, Sethar-Boznaï en hun metgezellen, overeenkomstig hetgeen koning Darius gezonden had, het spoedig alzo gedaan.
14En de oudsten der Joden bouwden, en zij hadden voorspoed door de profetie van Haggaï, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. En zij bouwden en voltooiden het, overeenkomstig het gebod van de God Israëls, en overeenkomstig het gebod van Kores en Darius en Arthahsasta, de koning van Perzië.