Terug naar Ezra 7
VSV
Statenvertaling

Ezra 7:23

Al wat bevolen wordt door de God des hemels, laat het naarstiglijk gedaan worden voor het huis van de God des hemels; want waarom zou er toorn zijn tegen het koninkrijk des konings en van zijn zonen?

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 7 — omringende verzen

18

En wat u en uw broeders goeddunkt te doen met het overige zilver en goud, dat doet naar de wil van uw God.

19

Ook de voorwerpen die u gegeven worden voor de dienst van het huis van uw God, die lever over voor de God van Jeruzalem.

20

En wat verder nodig zal zijn voor het huis van uw God, dat gij te besteden zult hebben, besteed dat uit het schathuis des konings.

21

En ik, ja, ik, koning Arthahsasta, vaardig een bevel uit aan al de schatmeesters die aan gene zijde van de rivier zijn, dat al wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God des hemels, van u verzoeken zal, spoedig gedaan worde,

22

Tot honderd talenten zilvers en tot honderd maten tarwe en tot honderd bath wijn en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift hoeveel.

23

Al wat bevolen wordt door de God des hemels, laat het naarstiglijk gedaan worden voor het huis van de God des hemels; want waarom zou er toorn zijn tegen het koninkrijk des konings en van zijn zonen?

24

Ook maken wij u bekend, dat het met betrekking tot enige priesters en Levieten, zangers, poortwachters, Nethinim, of dienaren van dit huis Gods, niet geoorloofd zal zijn tol, schatting of cijns op hen te leggen.

25

En gij, Ezra, stel naar de wijsheid van uw God, die in uw hand is, rechters en rechtsgeleerden aan, die al het volk kunnen berechten dat zich aan de overzijde van de rivier bevindt, allen die de wetten van uw God kennen; en onderwijst degenen die ze niet kennen.

26

En al wie de wet van uw God en de wet des konings niet wil onderhouden, over hem worde spoedig gericht uitgeoefend, hetzij ter dood, hetzij tot verbanning, hetzij tot inbeslagneming van goederen, hetzij tot gevangenzetting.

27

Gezegend zij de HEER, de God onzer vaderen, die zulk een ding in het hart des konings heeft gelegd, om het huis van de HEER, dat in Jeruzalem is, te verfraaien.

28

En die mij genade heeft bewezen voor het aangezicht des konings en zijn raadslieden en voor al des konings machtige vorsten. En ik werd gesterkt, want de hand van de HEER mijn God was over mij, en ik vergaderde uit Israël hoofdmannen om met mij op te trekken.