Ezra 8:24
“Toen zonderde ik twaalf van de hoofdpriestersen af: Serebja, Hasabja, en tien van hun broederen met hen.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezra 8 — omringende verzen
En Hasabja, en met hem Jesaja van de zonen van Merari, zijn broederen en hun zonen, twintig personen;
20Ook van de Nethinim, die David en de vorsten hadden aangesteld voor de dienst der Levieten, tweehonderdtwintig Nethinim; zij allen waren bij name aangewezen.
21Toen riep ik aldaar een vasten uit, bij de rivier Ahava, opdat wij ons voor onze God zouden verootmoedigen, om van Hem een goede weg te bidden voor ons, en voor onze kleinen, en voor al onze have.
22Want ik schaamde mij van de koning een bende soldaten en ruiters te vragen om ons te helpen tegen de vijand op de weg, omdat wij tot de koning hadden gesproken: De hand van onze God is over allen die Hem zoeken, ten goede; maar Zijn kracht en Zijn toorn zijn over allen die Hem verlaten.
23Zo vastten wij en zochten onze God hierom; en Hij werd door ons gebeden.
Toen zonderde ik twaalf van de hoofdpriestersen af: Serebja, Hasabja, en tien van hun broederen met hen.
En ik woog hun het zilver en het goud en de vaten toe, namelijk de offergave voor het huis van onze God, die de koning, zijn raadslieden, zijn vorsten en gans Israël dat daar aanwezig was, hadden geofferd.
26Ik woog hun in handen zeshonderdvijftig talenten zilver, en zilveren vaten van honderd talenten, en honderd talenten goud;
27Voorts twintig gouden schalen van duizend drachmen, en twee vaten van kostbaar rood koper, zo kostbaar als goud.
28En ik zeide tot hen: Gij zijt heilig aan de HEER; de vaten zijn ook heilig, en het zilver en het goud zijn een vrijwillige gave aan de HEER, de God uwer vaderen.
29Waakt en bewaart ze, totdat gij ze weegt voor het aangezicht van de hoofdpriestersen en de Levieten en de hoofden der vaderlijke geslachten van Israël, te Jeruzalem, in de kamers van het huis van de HEER.