Terug naar Ezra 8
VSV
Statenvertaling

Ezra 8:27

Voorts twintig gouden schalen van duizend drachmen, en twee vaten van kostbaar rood koper, zo kostbaar als goud.

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 8 — omringende verzen

22

Want ik schaamde mij van de koning een bende soldaten en ruiters te vragen om ons te helpen tegen de vijand op de weg, omdat wij tot de koning hadden gesproken: De hand van onze God is over allen die Hem zoeken, ten goede; maar Zijn kracht en Zijn toorn zijn over allen die Hem verlaten.

23

Zo vastten wij en zochten onze God hierom; en Hij werd door ons gebeden.

24

Toen zonderde ik twaalf van de hoofdpriestersen af: Serebja, Hasabja, en tien van hun broederen met hen.

25

En ik woog hun het zilver en het goud en de vaten toe, namelijk de offergave voor het huis van onze God, die de koning, zijn raadslieden, zijn vorsten en gans Israël dat daar aanwezig was, hadden geofferd.

26

Ik woog hun in handen zeshonderdvijftig talenten zilver, en zilveren vaten van honderd talenten, en honderd talenten goud;

27

Voorts twintig gouden schalen van duizend drachmen, en twee vaten van kostbaar rood koper, zo kostbaar als goud.

28

En ik zeide tot hen: Gij zijt heilig aan de HEER; de vaten zijn ook heilig, en het zilver en het goud zijn een vrijwillige gave aan de HEER, de God uwer vaderen.

29

Waakt en bewaart ze, totdat gij ze weegt voor het aangezicht van de hoofdpriestersen en de Levieten en de hoofden der vaderlijke geslachten van Israël, te Jeruzalem, in de kamers van het huis van de HEER.

30

Zo namen de priesters en de Levieten het gewogen zilver en goud en de vaten aan, om ze naar Jeruzalem te brengen, naar het huis van onze God.

31

Toen braken wij op van de rivier Ahava op de twaalfde dag van de eerste maand, om naar Jeruzalem te gaan; en de hand van onze God was over ons, en Hij verloste ons uit de hand van de vijand en van hen die ons op de weg lagen op te wachten.

32

En wij kwamen te Jeruzalem en verbleven daar drie dagen.