Genesis 1:11
“En God zeide: Dat de aarde voortbrenge grasscheutjes, kruid zaad zaaiende, vruchtbomen vrucht gevende naar hun soort, welks zaad daarin is, op de aarde; en het was alzo.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 1 — omringende verzen
En God zeide: Er zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren.
7En God maakte het uitspansel, en Hij maakte scheiding tussen de wateren die onder het uitspansel waren en de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo.
8En God noemde het uitspansel Hemel. En het was avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.
9En God zeide: Dat de wateren onder de hemel op één plaats vergaderd worden, en dat het droge verschijne; en het was alzo.
10En God noemde het droge Aarde; en de vergadering der wateren noemde Hij Zeeën; en God zag dat het goed was.
En God zeide: Dat de aarde voortbrenge grasscheutjes, kruid zaad zaaiende, vruchtbomen vrucht gevende naar hun soort, welks zaad daarin is, op de aarde; en het was alzo.
En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaad zaaiende naar zijn soort, en bomen vrucht gevende, welks zaad daarin was, naar zijn soort; en God zag dat het goed was.
13En het was avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag.
14En God zeide: Er zij lichten in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laat ze zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren;
15En laat ze zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde; en het was alzo.
16En God maakte twee grote lichten; het grotere licht om de dag te beheersen, en het kleinere licht om de nacht te beheersen; ook maakte Hij de sterren.