Genesis 1:12
“En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaad zaaiende naar zijn soort, en bomen vrucht gevende, welks zaad daarin was, naar zijn soort; en God zag dat het goed was.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 1 — omringende verzen
En God maakte het uitspansel, en Hij maakte scheiding tussen de wateren die onder het uitspansel waren en de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo.
8En God noemde het uitspansel Hemel. En het was avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.
9En God zeide: Dat de wateren onder de hemel op één plaats vergaderd worden, en dat het droge verschijne; en het was alzo.
10En God noemde het droge Aarde; en de vergadering der wateren noemde Hij Zeeën; en God zag dat het goed was.
11En God zeide: Dat de aarde voortbrenge grasscheutjes, kruid zaad zaaiende, vruchtbomen vrucht gevende naar hun soort, welks zaad daarin is, op de aarde; en het was alzo.
En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaad zaaiende naar zijn soort, en bomen vrucht gevende, welks zaad daarin was, naar zijn soort; en God zag dat het goed was.
En het was avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag.
14En God zeide: Er zij lichten in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laat ze zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren;
15En laat ze zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde; en het was alzo.
16En God maakte twee grote lichten; het grotere licht om de dag te beheersen, en het kleinere licht om de nacht te beheersen; ook maakte Hij de sterren.
17En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde,