Terug naar Genesis 14
VSV
Statenvertaling

Genesis 14:9

tegen Kedor-Laomer, koning van Elam, en Tidal, koning der volken, en Amrafel, koning van Sinear, en Arioch, koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 14 — omringende verzen

4

Twaalf jaar hadden zij Kedor-Laomer gediend, en in het dertiende jaar kwamen zij in opstand.

5

En in het veertiende jaar kwam Kedor-Laomer met de koningen die bij hem waren, en zij versloegen de Refaïeten in Asteroth-Karnaïm, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Save-Kirjathaïm,

6

en de Horieten op hun gebergte Seïr, tot El-Paran toe, dat aan de woestijn ligt.

7

En zij keerden terug en kwamen te En-Mispat, dat is Kades, en zij versloegen het gehele gebied van de Amalekieten, en ook de Amorieten die in Hazazon-Tamar woonden.

8

En de koning van Sodom en de koning van Gomorra en de koning van Adma en de koning van Zeboïm en de koning van Bela, dat is Zoar, trokken uit; en zij voerden strijd tegen hen in het dal Siddim,

9

tegen Kedor-Laomer, koning van Elam, en Tidal, koning der volken, en Amrafel, koning van Sinear, en Arioch, koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf.

10

En het dal Siddim was vol asfaltputten; en de koningen van Sodom en Gomorra namen de vlucht en vielen daarin; en die overbleven, vluchtten naar het gebergte.

11

En zij namen al de have van Sodom en Gomorra en al hun voorraad, en zij trokken weg.

12

En zij namen Lot, de zoon van Abrams broer, die in Sodom woonde, en zijn bezittingen gevangen, en zij trokken weg.

13

En er kwam een ontkomen man, die het Abram, de Hebreeër, vertelde; hij woonde bij het eikenbos van Mamre, de Amoriet, broeder van Eskol en broeder van Aner; en dezen waren bondgenoten van Abram.

14

En toen Abram hoorde dat zijn broeder gevangen genomen was, bewapende hij zijn geoefende dienaren, in zijn huis geboren, driehonderdachttien man, en hij vervolgde hen tot Dan toe.