Genesis 14:11
“En zij namen al de have van Sodom en Gomorra en al hun voorraad, en zij trokken weg.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 14 — omringende verzen
en de Horieten op hun gebergte Seïr, tot El-Paran toe, dat aan de woestijn ligt.
7En zij keerden terug en kwamen te En-Mispat, dat is Kades, en zij versloegen het gehele gebied van de Amalekieten, en ook de Amorieten die in Hazazon-Tamar woonden.
8En de koning van Sodom en de koning van Gomorra en de koning van Adma en de koning van Zeboïm en de koning van Bela, dat is Zoar, trokken uit; en zij voerden strijd tegen hen in het dal Siddim,
9tegen Kedor-Laomer, koning van Elam, en Tidal, koning der volken, en Amrafel, koning van Sinear, en Arioch, koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf.
10En het dal Siddim was vol asfaltputten; en de koningen van Sodom en Gomorra namen de vlucht en vielen daarin; en die overbleven, vluchtten naar het gebergte.
En zij namen al de have van Sodom en Gomorra en al hun voorraad, en zij trokken weg.
En zij namen Lot, de zoon van Abrams broer, die in Sodom woonde, en zijn bezittingen gevangen, en zij trokken weg.
13En er kwam een ontkomen man, die het Abram, de Hebreeër, vertelde; hij woonde bij het eikenbos van Mamre, de Amoriet, broeder van Eskol en broeder van Aner; en dezen waren bondgenoten van Abram.
14En toen Abram hoorde dat zijn broeder gevangen genomen was, bewapende hij zijn geoefende dienaren, in zijn huis geboren, driehonderdachttien man, en hij vervolgde hen tot Dan toe.
15En hij verdeelde zich tegen hen, hij en zijn dienaren, des nachts, en hij versloeg hen en vervolgde hen tot Hoba toe, dat ten noorden van Damascus ligt.
16En hij bracht al de have terug, en hij bracht ook Lot, zijn broeder, en diens bezittingen terug, en ook de vrouwen en het volk.