Terug naar Genesis 17
VSV
Statenvertaling

Genesis 17:15

En God zeide tot Abraham: Wat Sarai, uw vrouw, betreft, gij zult haar naam niet meer Sarai noemen, maar haar naam zal Sara zijn.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 17 — omringende verzen

10

Dit is Mijn verbond, dat gij houden zult, tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wat mannelijk is onder u zal besneden worden.

11

En gij zult het vlees van uw voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en u.

12

En wie acht dagen oud is, zal onder u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten, hij die in huis geboren is, of met geld gekocht is van enige vreemdeling, die niet van uw nageslacht is.

13

Hij die in uw huis geboren is en hij die met uw geld gekocht is, moet zeker besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in uw vlees tot een eeuwig verbond.

14

En de onbesneden man, wiens voorhuidsvlees niet besneden is, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.

15

En God zeide tot Abraham: Wat Sarai, uw vrouw, betreft, gij zult haar naam niet meer Sarai noemen, maar haar naam zal Sara zijn.

16

En Ik zal haar zegenen, en u ook een zoon van haar geven; ja, Ik zal haar zegenen, en zij zal tot moeder van volken worden; koningen van volken zullen van haar zijn.

17

Toen viel Abraham op zijn aangezicht en lachte, en zeide in zijn hart: Zal een honderdjarige een kind geboren worden? En zal Sara, die negentig jaar oud is, baren?

18

En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!

19

En God zeide: Waarlijk, Sara, uw vrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam Izak noemen; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond, en met zijn nageslacht na hem.

20

En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord: zie, Ik zal hem zegenen en hem vruchtbaar maken en hem zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk stellen.