Terug naar Genesis 17
VSV
Statenvertaling

Genesis 17:18

En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 17 — omringende verzen

13

Hij die in uw huis geboren is en hij die met uw geld gekocht is, moet zeker besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in uw vlees tot een eeuwig verbond.

14

En de onbesneden man, wiens voorhuidsvlees niet besneden is, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.

15

En God zeide tot Abraham: Wat Sarai, uw vrouw, betreft, gij zult haar naam niet meer Sarai noemen, maar haar naam zal Sara zijn.

16

En Ik zal haar zegenen, en u ook een zoon van haar geven; ja, Ik zal haar zegenen, en zij zal tot moeder van volken worden; koningen van volken zullen van haar zijn.

17

Toen viel Abraham op zijn aangezicht en lachte, en zeide in zijn hart: Zal een honderdjarige een kind geboren worden? En zal Sara, die negentig jaar oud is, baren?

18

En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!

19

En God zeide: Waarlijk, Sara, uw vrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam Izak noemen; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond, en met zijn nageslacht na hem.

20

En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord: zie, Ik zal hem zegenen en hem vruchtbaar maken en hem zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk stellen.

21

Maar Mijn verbond zal Ik oprichten met Izak, dien Sara u baren zal op deze bepaalde tijd in het volgende jaar.

22

En Hij hield op met hem te spreken, en God voer op van Abraham.

23

En Abraham nam zijn zoon Ismaël, en allen die in zijn huis geboren waren, en allen die met zijn geld gekocht waren, elke man in het huis van Abraham; en hij besneed het vlees van hun voorhuid op diezelfde dag, zoals God hem had geboden.