Terug naar Genesis 33
VSV
Statenvertaling

Genesis 33:15

En Esau zei: Laat mij dan enige van het volk dat bij mij is, bij u laten. En hij zei: Waartoe? Laat mij maar genade vinden in de ogen van mijn heer.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 33 — omringende verzen

10

En Jakob zei: Neen, toch, als ik dan genade in uw ogen gevonden heb, ontvang mijn geschenk dan uit mijn hand; want ik heb uw aangezicht aanschouwd als het aangezicht van God, en gij hebt mij welwillend ontvangen.

11

Neem toch mijn zegen die u gebracht is, want God heeft mij genadig behandeld en ik heb genoeg. En hij drong bij hem aan, zodat hij het aannam.

12

En hij zei: Laat ons onze reis aanvaarden en optrekken, dan ga ik voor u uit.

13

Maar hij zei tot hem: Mijn heer weet dat de kinderen teer zijn en dat de zogende kudden en runderen bij mij zijn; en als men ze één dag te hard drijft, zal de gehele kudde sterven.

14

Laat mijn heer, bid ik u, zijn knecht voorbijgaan; en ik zal langzaam voortgaan, naar de maat van het vee dat voor mij uit gaat en naar de maat van de kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seïr kom.

15

En Esau zei: Laat mij dan enige van het volk dat bij mij is, bij u laten. En hij zei: Waartoe? Laat mij maar genade vinden in de ogen van mijn heer.

16

Zo keerde Esau diezelfde dag terug op zijn weg naar Seïr.

17

En Jakob trok naar Sukkoth en bouwde voor zichzelf een huis en maakte hutten voor zijn vee; daarom werd de naam van die plaats Sukkoth genoemd.

18

En Jakob kwam te Shalem, een stad van Sichem, die in het land Kanaän ligt, toen hij uit Paddan-Aram gekomen was; en hij sloeg zijn tent op voor de stad.

19

En hij kocht een stuk land, waar hij zijn tent had opgezet, uit de hand van de kinderen van Hamor, de vader van Sichem, voor honderd stukken geld.

20

En hij richtte daar een altaar op en noemde het El-Elohe-Israël.