Genesis 46:7
“Zijn zonen en zijn kleinzonen met hem, zijn dochters en zijn kleindochters, en heel zijn nageslacht bracht hij met zich mee naar Egypte.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 46 — omringende verzen
En God sprak tot Israël in nachtgezichten en zei: Jakob, Jakob. En hij zei: Hier ben ik.
3En Hij zei: Ik ben God, de God van uw vader; vrees niet naar Egypte af te dalen, want Ik zal u daar tot een groot volk maken.
4Ik zal met u afdalen naar Egypte, en Ik zal u daar zeker ook weer vandaan brengen; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.
5En Jakob stond op uit Berseba; en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen in de wagens die Farao gezonden had om hem te vervoeren.
6En zij namen hun vee en hun have, die zij in het land Kanaän verworven hadden, en kwamen in Egypte: Jakob en heel zijn nageslacht met hem.
Zijn zonen en zijn kleinzonen met hem, zijn dochters en zijn kleindochters, en heel zijn nageslacht bracht hij met zich mee naar Egypte.
Dit nu zijn de namen van de kinderen Israëls, die naar Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob was Ruben.
9En de zonen van Ruben: Hanoch en Pallu, Hezron en Karmi.
10En de zonen van Simeon: Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
12En de zonen van Juda: Er en Onan en Sela en Perez en Zerach; maar Er en Onan stierven in het land Kanaän. En de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.