Genesis 46:9
“En de zonen van Ruben: Hanoch en Pallu, Hezron en Karmi.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 46 — omringende verzen
Ik zal met u afdalen naar Egypte, en Ik zal u daar zeker ook weer vandaan brengen; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.
5En Jakob stond op uit Berseba; en de zonen van Israël vervoerden hun vader Jakob, hun kleine kinderen en hun vrouwen in de wagens die Farao gezonden had om hem te vervoeren.
6En zij namen hun vee en hun have, die zij in het land Kanaän verworven hadden, en kwamen in Egypte: Jakob en heel zijn nageslacht met hem.
7Zijn zonen en zijn kleinzonen met hem, zijn dochters en zijn kleindochters, en heel zijn nageslacht bracht hij met zich mee naar Egypte.
8Dit nu zijn de namen van de kinderen Israëls, die naar Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob was Ruben.
En de zonen van Ruben: Hanoch en Pallu, Hezron en Karmi.
En de zonen van Simeon: Jemuël, Jamin, Ohad, Jachin, Zohar en Saul, de zoon van een Kanaänitische vrouw.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
12En de zonen van Juda: Er en Onan en Sela en Perez en Zerach; maar Er en Onan stierven in het land Kanaän. En de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
13En de zonen van Issaschar: Tola en Pua, Job en Simron.
14En de zonen van Zebulon: Sered, Elon en Jahleel.