Genesis 47:3
“En Farao zei tot zijn broeders: Wat is uw bedrijf? En zij zeiden tot Farao: Uw knechten zijn herders, wij zowel als onze vaderen.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 47 — omringende verzen
Toen kwam Jozef het Farao berichten en zei: Mijn vader en mijn broeders, met hun schapen en hun runderen en al wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaän; en zie, zij zijn in het land Gosen.
2En hij nam vijf mannen uit zijn broeders en stelde hen voor Farao.
En Farao zei tot zijn broeders: Wat is uw bedrijf? En zij zeiden tot Farao: Uw knechten zijn herders, wij zowel als onze vaderen.
Voorts zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen om als vreemdeling in dit land te verblijven, want er is geen weide voor de schapen van uw knechten, want de honger is zwaar in het land Kanaän; laat uw knechten dan nu in het land Gosen wonen, wij bidden u.
5En Farao sprak tot Jozef: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen.
6Het land Egypte ligt voor u; laat uw vader en uw broeders in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen; en indien gij onder hen bekwame mannen kent, stel hen dan aan als opzichters over mijn vee.
7En Jozef bracht zijn vader Jakob binnen en stelde hem voor Farao; en Jakob zegende Farao.
8En Farao zei tot Jakob: Hoe oud zijt gij?