Terug naar Genesis 48
VSV
Statenvertaling

Genesis 48:17

En toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, mishaagde hem dat; en hij greep de hand van zijn vader, om die te verleggen van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 48 — omringende verzen

12

En Jozef bracht hen van tussen zijn knieën, en hij boog zich met zijn aangezicht ter aarde.

13

En Jozef nam hen beiden, Efraïm in zijn rechterhand, naar Israëls linkerhand, en Manasse in zijn linkerhand, naar Israëls rechterhand, en bracht hen tot hem.

14

En Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, die de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij leidde zijn handen met opzet, want Manasse was de eerstgeborene.

15

En hij zegende Jozef, en zei: God, voor Wiens aangezicht mijn vaderen Abraham en Izak gewandeld hebben, de God Die mij gevoed heeft al mijn leven lang tot op deze dag,

16

De Engel Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens; en laat mijn naam op hen worden uitgeroepen, en de naam van mijn vaderen Abraham en Izak; en laat hen groeien tot een menigte in het midden der aarde.

17

En toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, mishaagde hem dat; en hij greep de hand van zijn vader, om die te verleggen van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse.

18

En Jozef zei tot zijn vader: Niet zo, mijn vader; want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.

19

Maar zijn vader weigerde, en zei: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het; ook hij zal tot een volk worden, ook hij zal groot zijn; maar zijn jongste broeder zal groter zijn dan hij, en zijn nageslacht zal tot een menigte van volken worden.

20

En hij zegende hen te dien dage, en zei: Door u zal Israël zegenen, zeggende: God make u als Efraïm en als Manasse; en hij stelde Efraïm vóór Manasse.

21

En Israël zei tot Jozef: Zie, ik ga sterven; maar God zal met u zijn, en u terugbrengen naar het land uwer vaderen.

22

Bovendien heb ik u een deel meer gegeven dan uw broederen, dat ik uit de hand van de Amoriet genomen heb met mijn zwaard en met mijn boog.