Haggaï 1:5
“Nu dan, zo zegt de HEER der heerscharen: Let op uw wegen.”
Kruisverwijzingen
Context
Haggaï 1 — omringende verzen
In het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord des HEREN door de profeet Haggaï tot Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de gouverneur van Juda, en tot Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, zeggende:
2Zo spreekt de HEER der heerscharen, zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd dat het huis des HEREN gebouwd moet worden.
3Toen kwam het woord des HEREN door de profeet Haggaï, zeggende:
4Is het voor u de tijd om in uw betimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis woest ligt?
Nu dan, zo zegt de HEER der heerscharen: Let op uw wegen.
Gij hebt veel gezaaid, maar weinig binnengebracht; gij eet, maar hebt niet genoeg; gij drinkt, maar wordt niet verzadigd; gij kleedt u, maar niemand wordt warm; en wie loon verdient, verdient loon om het in een zak met gaten te doen.
7Zo zegt de HEER der heerscharen: Let op uw wegen.
8Ga naar het gebergte en breng hout aan, en bouw het huis; dan zal Ik daar een welgevallen in hebben en verheerlijkt worden, zegt de HEER.
9Gij hebt uitgezien naar veel, maar zie, het werd weinig; en als gij het thuisbracht, blies Ik ertegen. Waarom? zegt de HEER der heerscharen. Vanwege Mijn huis dat woest ligt, terwijl gij, ieder van u, rent naar zijn eigen huis.
10Daarom heeft de hemel boven u de dauw ingehouden, en heeft de aarde haar opbrengst ingehouden.