Haggaï 1:9
“Gij hebt uitgezien naar veel, maar zie, het werd weinig; en als gij het thuisbracht, blies Ik ertegen. Waarom? zegt de HEER der heerscharen. Vanwege Mijn huis dat woest ligt, terwijl gij, ieder van u, rent naar zijn eigen huis.”
Kruisverwijzingen
Context
Haggaï 1 — omringende verzen
Is het voor u de tijd om in uw betimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis woest ligt?
5Nu dan, zo zegt de HEER der heerscharen: Let op uw wegen.
6Gij hebt veel gezaaid, maar weinig binnengebracht; gij eet, maar hebt niet genoeg; gij drinkt, maar wordt niet verzadigd; gij kleedt u, maar niemand wordt warm; en wie loon verdient, verdient loon om het in een zak met gaten te doen.
7Zo zegt de HEER der heerscharen: Let op uw wegen.
8Ga naar het gebergte en breng hout aan, en bouw het huis; dan zal Ik daar een welgevallen in hebben en verheerlijkt worden, zegt de HEER.
Gij hebt uitgezien naar veel, maar zie, het werd weinig; en als gij het thuisbracht, blies Ik ertegen. Waarom? zegt de HEER der heerscharen. Vanwege Mijn huis dat woest ligt, terwijl gij, ieder van u, rent naar zijn eigen huis.
Daarom heeft de hemel boven u de dauw ingehouden, en heeft de aarde haar opbrengst ingehouden.
11En Ik heb een droogte geroepen over het land en over de bergen, en over het koren, en over de nieuwe wijn, en over de olie, en over wat de aardbodem voortbrengt, en over de mensen, en over het vee, en over al de arbeid der handen.
12Toen gehoorzaamden Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, met heel het overblijfsel des volks, aan de stem des HEREN, hun God, en aan de woorden van de profeet Haggaï, zoals de HEER, hun God, hem gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht des HEREN.
13Toen sprak Haggaï, de bode des HEREN, in de boodschap des HEREN tot het volk, zeggende: Ik ben met u, zegt de HEER.
14En de HEER wekte de geest op van Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, de gouverneur van Juda, en de geest van Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en de geest van heel het overblijfsel des volks; en zij kwamen en verrichtten het werk aan het huis van de HEER der heerscharen, hun God,