Haggaï 2:19
“Is het zaad nog in de schuur? Ja, zelfs de wijnstok, en de vijgenboom, en de granaatappelboom, en de olijfboom hebben nog niet gedragen; vanaf deze dag zal Ik zegenen.”
Kruisverwijzingen
Context
Haggaï 2 — omringende verzen
Toen antwoordde Haggaï en zei: Zo is dit volk, en zo is dit heidenvolk voor Mijn aangezicht, zegt de HEER; en zo is al het werk van hun handen; en wat zij daar offeren, is onrein.
15En nu, overweeg toch van deze dag af en verder, vóórdat er een steen op een steen gelegd werd in de tempel des HEREN:
16in die dagen, wanneer iemand kwam tot een hoop van twintig maten, waren er maar tien; wanneer iemand kwam tot de wijnpersbak om vijftig vaten uit de pers te scheppen, waren er maar twintig.
17Ik sloeg u met brandkoren en met meeldauw en met hagel in al de arbeid van uw handen; en toch keerdet gij u niet tot Mij, zegt de HEER.
18Overweeg toch van deze dag af en verder, van de vierentwintigste dag van de negende maand af, van de dag af dat het fondament van de tempel des HEREN gelegd werd, overweeg het.
Is het zaad nog in de schuur? Ja, zelfs de wijnstok, en de vijgenboom, en de granaatappelboom, en de olijfboom hebben nog niet gedragen; vanaf deze dag zal Ik zegenen.
En het woord des HEREN kwam voor de tweede maal tot Haggaï, op de vierentwintigste dag van de maand, zeggende:
21Spreek tot Zerubbabel, de gouverneur van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde doen beven;
22en Ik zal de troon der koninkrijken omverwerpen, en Ik zal de kracht der koninkrijken van de heidenen verdelgen; en Ik zal de strijdwagens omverwerpen, en degenen die erop rijden; en de paarden en hun ruiters zullen vallen, een ieder door het zwaard van zijn broeder.
23Te dien dage, zegt de HEER der heerscharen, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, Mijn knecht, de zoon van Sealtiël, zegt de HEER, en Ik zal u maken als een zegelring; want Ik heb u uitverkoren, zegt de HEER der heerscharen.