Haggaï 2:16
“in die dagen, wanneer iemand kwam tot een hoop van twintig maten, waren er maar tien; wanneer iemand kwam tot de wijnpersbak om vijftig vaten uit de pers te scheppen, waren er maar twintig.”
Kruisverwijzingen
Context
Haggaï 2 — omringende verzen
Zo zegt de HEER der heerscharen: Vraag nu de priesters naar de wet, zeggende:
12Indien iemand heilig vlees draagt in de slip van zijn kleed, en met zijn slip brood aanraakt, of kooksel, of wijn, of olie, of enig voedsel, zal het dan heilig worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Neen.
13Toen zei Haggaï: Als iemand die onrein is door een dood lichaam, een van deze dingen aanraakt, zal het dan onrein worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Het zal onrein worden.
14Toen antwoordde Haggaï en zei: Zo is dit volk, en zo is dit heidenvolk voor Mijn aangezicht, zegt de HEER; en zo is al het werk van hun handen; en wat zij daar offeren, is onrein.
15En nu, overweeg toch van deze dag af en verder, vóórdat er een steen op een steen gelegd werd in de tempel des HEREN:
in die dagen, wanneer iemand kwam tot een hoop van twintig maten, waren er maar tien; wanneer iemand kwam tot de wijnpersbak om vijftig vaten uit de pers te scheppen, waren er maar twintig.
Ik sloeg u met brandkoren en met meeldauw en met hagel in al de arbeid van uw handen; en toch keerdet gij u niet tot Mij, zegt de HEER.
18Overweeg toch van deze dag af en verder, van de vierentwintigste dag van de negende maand af, van de dag af dat het fondament van de tempel des HEREN gelegd werd, overweeg het.
19Is het zaad nog in de schuur? Ja, zelfs de wijnstok, en de vijgenboom, en de granaatappelboom, en de olijfboom hebben nog niet gedragen; vanaf deze dag zal Ik zegenen.
20En het woord des HEREN kwam voor de tweede maal tot Haggaï, op de vierentwintigste dag van de maand, zeggende:
21Spreek tot Zerubbabel, de gouverneur van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde doen beven;