Haggaï 2:13
“Toen zei Haggaï: Als iemand die onrein is door een dood lichaam, een van deze dingen aanraakt, zal het dan onrein worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Het zal onrein worden.”
Kruisverwijzingen
Context
Haggaï 2 — omringende verzen
Het zilver is het Mijne, en het goud is het Mijne, zegt de HEER der heerscharen.
9De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter zijn dan die van het eerste, zegt de HEER der heerscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, zegt de HEER der heerscharen.
10Op de vierentwintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord des HEREN door de profeet Haggaï, zeggende:
11Zo zegt de HEER der heerscharen: Vraag nu de priesters naar de wet, zeggende:
12Indien iemand heilig vlees draagt in de slip van zijn kleed, en met zijn slip brood aanraakt, of kooksel, of wijn, of olie, of enig voedsel, zal het dan heilig worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Neen.
Toen zei Haggaï: Als iemand die onrein is door een dood lichaam, een van deze dingen aanraakt, zal het dan onrein worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Het zal onrein worden.
Toen antwoordde Haggaï en zei: Zo is dit volk, en zo is dit heidenvolk voor Mijn aangezicht, zegt de HEER; en zo is al het werk van hun handen; en wat zij daar offeren, is onrein.
15En nu, overweeg toch van deze dag af en verder, vóórdat er een steen op een steen gelegd werd in de tempel des HEREN:
16in die dagen, wanneer iemand kwam tot een hoop van twintig maten, waren er maar tien; wanneer iemand kwam tot de wijnpersbak om vijftig vaten uit de pers te scheppen, waren er maar twintig.
17Ik sloeg u met brandkoren en met meeldauw en met hagel in al de arbeid van uw handen; en toch keerdet gij u niet tot Mij, zegt de HEER.
18Overweeg toch van deze dag af en verder, van de vierentwintigste dag van de negende maand af, van de dag af dat het fondament van de tempel des HEREN gelegd werd, overweeg het.