Haggaï 2:11
“Zo zegt de HEER der heerscharen: Vraag nu de priesters naar de wet, zeggende:”
Kruisverwijzingen
Context
Haggaï 2 — omringende verzen
Want zo zegt de HEER der heerscharen: Nog eenmaal, over een korte tijd, zal Ik de hemelen en de aarde, en de zee en het droge doen beven;
7en Ik zal alle heidenvolken doen beven, en de Begeerde van alle heidenvolken zal komen; en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEER der heerscharen.
8Het zilver is het Mijne, en het goud is het Mijne, zegt de HEER der heerscharen.
9De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter zijn dan die van het eerste, zegt de HEER der heerscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, zegt de HEER der heerscharen.
10Op de vierentwintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord des HEREN door de profeet Haggaï, zeggende:
Zo zegt de HEER der heerscharen: Vraag nu de priesters naar de wet, zeggende:
Indien iemand heilig vlees draagt in de slip van zijn kleed, en met zijn slip brood aanraakt, of kooksel, of wijn, of olie, of enig voedsel, zal het dan heilig worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Neen.
13Toen zei Haggaï: Als iemand die onrein is door een dood lichaam, een van deze dingen aanraakt, zal het dan onrein worden? En de priesters antwoordden en zeiden: Het zal onrein worden.
14Toen antwoordde Haggaï en zei: Zo is dit volk, en zo is dit heidenvolk voor Mijn aangezicht, zegt de HEER; en zo is al het werk van hun handen; en wat zij daar offeren, is onrein.
15En nu, overweeg toch van deze dag af en verder, vóórdat er een steen op een steen gelegd werd in de tempel des HEREN:
16in die dagen, wanneer iemand kwam tot een hoop van twintig maten, waren er maar tien; wanneer iemand kwam tot de wijnpersbak om vijftig vaten uit de pers te scheppen, waren er maar twintig.