Handelingen 13:3
“En na gevast en gebeden te hebben, legden zij hun de handen op en zonden hen weg.”
Kruisverwijzingen
Context
Handelingen 13 — omringende verzen
Nu waren er in de gemeente te Antiochië bepaalde profeten en leraars: namelijk Barnabas en Simeon, die Niger werd genoemd, en Lucius van Cyrene, en Manaën, die samen met Herodes de viervorst was opgegroeid, en Saulus.
2Terwijl zij de Heer dienden en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij Barnabas en Saulus af voor het werk waartoe Ik hen geroepen heb.
En na gevast en gebeden te hebben, legden zij hun de handen op en zonden hen weg.
Zo vertrokken zij dan, uitgezonden door de Heilige Geest, naar Seleucie; en van daar voeren zij naar Cyprus.
5En toen zij te Salamis waren, verkondigden zij het woord van God in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes als dienaar.
6En nadat zij het gehele eiland doorkruist hadden tot Paphos, vonden zij een zekere tovenaar, een valse profeet, een Jood, wiens naam Barjezus was;
7Die bij de landvoogd Sergius Paulus was, een verstandig man; deze riep Barnabas en Saulus bij zich en verlangde het woord van God te horen.
8Maar Elymas, de tovenaar (want zo wordt zijn naam vertaald), weerstond hen en trachtte de landvoogd van het geloof af te keren.