Handelingen 2:34
“Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De HEER heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand,”
Kruisverwijzingen
Context
Handelingen 2 — omringende verzen
Mannen en broeders, het is mij vrijgestaan vrijmoedig tot u te spreken van de patriarch David, dat hij gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag.
30Daar hij dan een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had, dat hij uit de vrucht van zijn lendenen, naar het vlees, de Christus zou verwekken om op zijn troon te zitten,
31Heeft hij dit voorziende gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet verlaten is in de hel en Zijn vlees de verdorvenheid niet gezien heeft.
32Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.
33Nu dan, verhoogd zijnde door de rechterhand van God en de belofte van de Heilige Geest ontvangen hebbende van de Vader, heeft Hij dit uitgestort, wat gij nu ziet en hoort.
Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: De HEER heeft gesproken tot mijn Heer: Zit aan Mijn rechterhand,
Totdat Ik uw vijanden maak tot een voetbank voor uw voeten.
36Laat dan het gehele huis van Israël zeker weten, dat God dezelfde Jezus, die gij gekruisigd hebt, zowel tot Heer als tot Christus gemaakt heeft.
37Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zeiden tot Petrus en de overige apostelen: Mannen en broeders, wat moeten wij doen?
38Toen zei Petrus tot hen: Bekeert u, en laat ieder van u gedoopt worden in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden, en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.
39Want de belofte is voor u en voor uw kinderen, en voor allen die veraf zijn, zovelen als de HEER onze God ertoe roepen zal.