Terug naar Handelingen 23
VSV
Statenvertaling

Handelingen 23:14

En zij kwamen tot de overpriesters en de oudsten en zeiden: Wij hebben onszelf met een grote vervloeking verbonden dat wij niets zullen eten totdat wij Paulus gedood hebben.

Kruisverwijzingen

Context

Handelingen 23 — omringende verzen

9

En er ontstond een groot geroep; en de schriftgeleerden van de partij der farizeën stonden op en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in deze mens; maar indien een geest of een engel tot hem gesproken heeft, laten wij niet tegen God strijden.

10

En toen er een groot geschil ontstond, vreesde de overste over duizend dat Paulus door hen verscheurd zou worden; en hij beval de soldaten naar beneden te gaan en hem met geweld uit hun midden weg te nemen en in de vesting te brengen.

11

En de volgende nacht stond de Heer bij hem en zei: Heb goede moed, Paulus; want zoals gij van Mij getuigd hebt te Jeruzalem, zo moet gij ook te Rome getuigen.

12

En toen het dag geworden was, sloten enige Joden zich samen en verbonden zichzelf met een vervloeking, zeggende dat zij noch zouden eten noch drinken totdat zij Paulus gedood hadden.

13

En het waren meer dan veertig die deze samenzwering gesmeed hadden.

14

En zij kwamen tot de overpriesters en de oudsten en zeiden: Wij hebben onszelf met een grote vervloeking verbonden dat wij niets zullen eten totdat wij Paulus gedood hebben.

15

Maakt gij dan nu met de raad bij de overste over duizend bekend dat hij hem morgen tot u naar beneden brenge, alsof gij iets nauwkeuriger aangaande hem onderzoeken wilt; en wij zijn gereed hem te doden voordat hij nabij komt.

16

En toen de zuster­zoon van Paulus van hun hinderlaag hoorde, ging hij en kwam in de vesting en berichtte het aan Paulus.

17

Toen riep Paulus een van de hoofdmannen over honderd tot zich en zei: Breng deze jonge man tot de overste over duizend, want hij heeft hem iets te zeggen.

18

Deze nam hem dan en bracht hem tot de overste over duizend en zei: De gevangene Paulus riep mij tot zich en verzocht mij deze jonge man tot u te brengen, die u iets te zeggen heeft.

19

Toen nam de overste over duizend hem bij de hand en ging met hem alleen opzij en vroeg hem: Wat is het dat gij mij te zeggen hebt?