Handelingen 25:15
“over wie, toen ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de oudsten der Joden mij hebben ingelicht, en verzochten om een vonnis tegen hem.”
Kruisverwijzingen
Context
Handelingen 25 — omringende verzen
Toen zei Paulus: 'Ik sta voor de rechterstoel van de keizer, waar ik berecht behoor te worden. De Joden heb ik geen onrecht gedaan, zoals u zeer goed weet.
11Want indien ik een misdadiger ben of iets gedaan heb wat de dood verdient, weiger ik niet te sterven; maar indien er niets is van wat dezen mij ten laste leggen, kan niemand mij aan hen uitleveren. Ik beroep mij op de keizer.'
12Toen antwoordde Festus, nadat hij met de raad had beraadslaagd: 'Hebt gij u op de keizer beroepen? Naar de keizer zult gij gaan.'
13En na verloop van enige dagen kwamen koning Agrippa en Bernice te Caesaréa om Festus te begroeten.
14En toen zij daar vele dagen hadden doorgebracht, stelde Festus de zaak van Paulus aan de koning voor, zeggende: 'Er is een zekere man, door Félix als gevangene achtergelaten,
over wie, toen ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de oudsten der Joden mij hebben ingelicht, en verzochten om een vonnis tegen hem.
Aan wie ik antwoordde dat het de gewoonte der Romeinen niet is iemand ter dood uit te leveren voordat hij die beschuldigd wordt, zijn aanklagers in persoon tegenover zich heeft gehad en de gelegenheid heeft gekregen zich te verdedigen tegen de aanklacht die tegen hem is ingebracht.
17Toen zij dan hierheen kwamen, ben ik zonder enig uitstel de volgende dag op de rechterstoel gaan zitten en heb bevolen de man voor te leiden.
18Toen de aanklagers optraden, brachten zij geen aanklacht in van de dingen die ik had verwacht,
19maar hadden enige geschilpunten over hun eigen godsdienst en over een zekere Jezus, die gestorven was, van wie Paulus beweerde dat hij leeft.
20En omdat ik niet wist hoe ik over zulke zaken moest oordelen, vroeg ik hem of hij naar Jeruzalem wilde gaan en daar over deze dingen berecht worden.