Handelingen 4:25
“U die door de mond van Uw knecht David gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdele dingen?”
Kruisverwijzingen
Context
Handelingen 4 — omringende verzen
Want wij kunnen niet nalaten te spreken van hetgeen wij gezien en gehoord hebben.
21Zo dreigden zij hen verder en lieten hen gaan, omdat zij niets vonden waarmee zij hen konden straffen, om het volk; want allen verheerlijkten God over hetgeen geschied was.
22Want de man op wie dit teken van genezing geschied was, was boven de veertig jaar oud.
23En toen zij losgelaten waren, gingen zij naar hun eigen gezelschap en berichtten alles wat de overpriesters en de oudsten hun gezegd hadden.
24En toen zij dat hoorden, hieven zij eensgezind hun stem op tot God en zeiden: Heer, U bent de God die de hemel en de aarde en de zee gemaakt heeft, en alles wat daarin is;
U die door de mond van Uw knecht David gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdele dingen?
De koningen der aarde stelden zich op, en de vorsten vergaderden zich samen tegen de Heer en tegen Zijn Gezalfde.
27Want waarlijk, tegen Uw heilig Kind Jezus, Die U gezalfd hebt, hebben zich zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en het volk van Israël, vergaderd,
28om te doen wat Uw hand en Uw raad tevoren bepaald hadden dat geschieden zou.
29En nu, Heer, zie hun dreigementen aan, en geef Uw dienstknechten dat zij Uw woord met alle vrijmoedigheid spreken,
30terwijl U Uw hand uitstrekt om te genezen, en tekenen en wonderen geschieden door de naam van Uw heilig Kind Jezus.