Jeremia 1:10
“Zie, Ik heb u op deze dag over de volken en over de koninkrijken aangesteld, om uit te rukken en af te breken, en om te verderven en neer te halen, om te bouwen en te planten.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 1 — omringende verzen
Voordat Ik u in de moederschoot vormde, kende Ik u; en voordat u uit de baarmoeder voortkwam, heb Ik u geheiligd en u tot een profeet voor de volken aangesteld.
6Toen zeide ik: Ach, Heer HEER! zie, ik kan niet spreken, want ik ben een kind.
7Maar de HEER zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben een kind; want u zult gaan tot allen waartoe Ik u zenden zal, en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.
8Wees niet bevreesd voor hun aangezichten, want Ik ben met u om u te redden, spreekt de HEER.
9Toen strekte de HEER Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEER zeide tot mij: Zie, Ik heb Mijn woorden in uw mond gelegd.
Zie, Ik heb u op deze dag over de volken en over de koninkrijken aangesteld, om uit te rukken en af te breken, en om te verderven en neer te halen, om te bouwen en te planten.
Voorts kwam het woord des HEREN tot mij, zeggende: Jeremia, wat ziet u? En ik zeide: Ik zie een amandeltak.
12Toen zeide de HEER tot mij: U hebt goed gezien, want Ik zal over Mijn woord waken om het te volbrengen.
13En het woord des HEREN kwam voor de tweede maal tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zeide: Ik zie een kokende pot, en zijn voorzijde is naar het noorden gekeerd.
14Toen zeide de HEER tot mij: Uit het noorden zal het onheil losbreken over alle inwoners van het land.
15Want zie, Ik zal al de geslachten van de koninkrijken van het noorden roepen, spreekt de HEER; en zij zullen komen en ieder zijn troon zetten bij de ingang van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda.