Jeremia 1:14
“Toen zeide de HEER tot mij: Uit het noorden zal het onheil losbreken over alle inwoners van het land.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 1 — omringende verzen
Toen strekte de HEER Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEER zeide tot mij: Zie, Ik heb Mijn woorden in uw mond gelegd.
10Zie, Ik heb u op deze dag over de volken en over de koninkrijken aangesteld, om uit te rukken en af te breken, en om te verderven en neer te halen, om te bouwen en te planten.
11Voorts kwam het woord des HEREN tot mij, zeggende: Jeremia, wat ziet u? En ik zeide: Ik zie een amandeltak.
12Toen zeide de HEER tot mij: U hebt goed gezien, want Ik zal over Mijn woord waken om het te volbrengen.
13En het woord des HEREN kwam voor de tweede maal tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zeide: Ik zie een kokende pot, en zijn voorzijde is naar het noorden gekeerd.
Toen zeide de HEER tot mij: Uit het noorden zal het onheil losbreken over alle inwoners van het land.
Want zie, Ik zal al de geslachten van de koninkrijken van het noorden roepen, spreekt de HEER; en zij zullen komen en ieder zijn troon zetten bij de ingang van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda.
16En Ik zal Mijn oordelen over hen uitspreken vanwege al hun goddeloosheid, omdat zij Mij verlaten hebben en reukoffers hebben gebracht aan andere goden, en zich hebben neergebogen voor de werken van hun eigen handen.
17U dan, gord uw lendenen, sta op en spreek tot hen alles wat Ik u gebieden zal; wees niet ontsteld voor hun aangezichten, opdat Ik u niet ontsteld make voor hun aangezicht.
18Want zie, Ik heb u op deze dag gemaakt tot een versterkte stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het ganse land, tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters en tegen het volk des lands.
19En zij zullen tegen u strijden, maar u niet overwinnen, want Ik ben met u, spreekt de HEER, om u te redden.