Terug naar Jeremia 14
VSV
Statenvertaling

Jeremia 14:18

Als ik het veld intrek, zie dan de door het zwaard verslagenen! En als ik de stad binnenga, zie dan hen die door de honger gekweld worden! Ja, zelfs de profeet en de priester trekken rond in een land dat zij niet kennen.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 14 — omringende verzen

13

Toen zeide ik: Ach, Heer HEER! zie, de profeten zeggen tot hen: Gij zult het zwaard niet zien, en er zal geen honger bij u zijn; maar Ik zal u een bestendige vrede geven in deze plaats.

14

Toen zei de HEER tot mij: De profeten profeteren leugens in Mijn naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun enig bevel gegeven, noch tot hen gesproken. Zij profeteren u een vals visioen en waarzeggerij, en ijdelheid, en het bedrog van hun eigen hart.

15

Daarom zegt de HEER aldus over de profeten die in Mijn naam profeteren, hoewel Ik hen niet gezonden heb, en die zeggen: Zwaard en honger zullen in dit land niet zijn — door zwaard en honger zullen diezelfde profeten omkomen.

16

En het volk aan wie zij profeteren, zal worden neergeworpen in de straten van Jeruzalem, vanwege de honger en het zwaard; en er zal niemand zijn om hen te begraven — hen, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters — want Ik zal hun ongerechtigheid over hen uitstorten.

17

Daarom zult u dit woord tot hen spreken: Laten mijn ogen dag en nacht stromen van tranen, en laten zij niet ophouden; want de maagdelijke dochter van mijn volk is gebroken met een grote breuk, met een uiterst zware slag.

18

Als ik het veld intrek, zie dan de door het zwaard verslagenen! En als ik de stad binnenga, zie dan hen die door de honger gekweld worden! Ja, zelfs de profeet en de priester trekken rond in een land dat zij niet kennen.

19

Hebt U Juda volkomen verworpen? Heeft Uw ziel een afkeer van Sion? Waarom hebt U ons geslagen, zodat er geen genezing voor ons is? Wij zagen uit naar vrede, maar er is niets goeds; en naar een tijd van genezing, maar zie, er is benauwdheid!

20

Wij erkennen, o HEER, onze goddeloosheid, en de ongerechtigheid van onze vaderen; want wij hebben tegen U gezondigd.

21

Verwerp ons niet, omwille van Uw naam; onteer de troon van Uw heerlijkheid niet. Gedenk het, verbreek Uw verbond met ons niet.

22

Zijn er onder de ijdelheden der heidenen die regen kunnen geven? Of kunnen de hemelen regenbuien geven? Zijt Gij het niet, o HEER onze God? Wij zullen dan op U wachten, want U hebt dit alles gemaakt.