Jeremia 15:1
“Toen zei de HEER tot mij: Al stonden Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, Mijn hart zou niet naar dit volk uitgaan. Zend hen weg van voor Mijn aangezicht, en laat hen heengaan.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 15 — omringende verzen
Toen zei de HEER tot mij: Al stonden Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, Mijn hart zou niet naar dit volk uitgaan. Zend hen weg van voor Mijn aangezicht, en laat hen heengaan.
En het zal gebeuren, als zij tot u zeggen: Waarheen zullen wij gaan? dat u hun dan zegt: Zo zegt de HEER: Wie voor de dood bestemd is, naar de dood; en wie voor het zwaard bestemd is, naar het zwaard; en wie voor de honger bestemd is, naar de honger; en wie voor de gevangenschap bestemd is, naar de gevangenschap.
3En Ik zal over hen vier soorten aanstellen, spreekt de HEER: het zwaard om te doden, de honden om te scheuren, en de vogels des hemels en de dieren der aarde om te verslinden en te verdelgen.
4En Ik zal hen tot een schrikbeeld maken voor alle koninkrijken der aarde, vanwege Manasse, de zoon van Hizkia, de koning van Juda, vanwege hetgeen hij in Jeruzalem gedaan heeft.
5Want wie zal medelijden met u hebben, o Jeruzalem? Of wie zal u beklagen? Of wie zal opzij gaan om naar uw welstand te vragen?
6Gij hebt Mij verlaten, spreekt de HEER, gij zijt achteruitgeweken; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verdelgen. Ik ben het berouwen moe.