Jeremia 15:11
“De HEER zei: Voorwaar, het zal uw overblijfsel welgaan; voorwaar, Ik zal bewerkstelligen dat de vijand u goed behandelt in de tijd van het kwaad en in de tijd van benauwdheid.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 15 — omringende verzen
Gij hebt Mij verlaten, spreekt de HEER, gij zijt achteruitgeweken; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verdelgen. Ik ben het berouwen moe.
7En Ik zal hen wannen met een wan in de poorten des lands; Ik zal hen van kinderen beroven; Ik zal Mijn volk verdelgen, want zij keren niet terug van hun wegen.
8Hun weduwen zijn voor Mij vermenigvuldigd boven het zand der zee. Ik heb over hen een verwoester gebracht, op het middaguur, over de moeder van de jonge mannen; Ik heb hem plotseling over haar doen neervallen, en verschrikking over de stad.
9Zij die zeven kinderen gebaard heeft, is uitgeteerd; zij heeft de geest gegeven; haar zon is ondergegaan terwijl het nog dag was; zij is beschaamd en te schande geworden. En het overblijfsel van hen zal Ik overgeven aan het zwaard voor hun vijanden, spreekt de HEER.
10Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist en een man van strijd voor heel de aarde! Ik heb niet op woeker geleend, en men heeft mij niet op woeker geleend; toch vloekt ieder van hen mij.
De HEER zei: Voorwaar, het zal uw overblijfsel welgaan; voorwaar, Ik zal bewerkstelligen dat de vijand u goed behandelt in de tijd van het kwaad en in de tijd van benauwdheid.
Kan ijzer het ijzer uit het noorden en het staal breken?
13Uw vermogen en al uw schatten zal Ik prijsgeven als buit, zonder prijs, en dat vanwege al uw zonden, in al uw gebieden.
14En Ik zal u met uw vijanden doen doortrekken naar een land dat u niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, dat over u zal branden.
15O HEER, U weet het; gedenk mij en bezoek mij, en wreek mij op mijn vervolgers. Neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid; weet dat ik om Uwentwil smaad gedragen heb.
16Uw woorden werden gevonden, en ik at ze; en Uw woord was mij tot vreugde en blijdschap van mijn hart; want ik ben naar Uw naam genoemd, o HEER, God der heerscharen.