Terug naar Jeremia 15
VSV
Statenvertaling

Jeremia 15:14

En Ik zal u met uw vijanden doen doortrekken naar een land dat u niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, dat over u zal branden.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 15 — omringende verzen

9

Zij die zeven kinderen gebaard heeft, is uitgeteerd; zij heeft de geest gegeven; haar zon is ondergegaan terwijl het nog dag was; zij is beschaamd en te schande geworden. En het overblijfsel van hen zal Ik overgeven aan het zwaard voor hun vijanden, spreekt de HEER.

10

Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist en een man van strijd voor heel de aarde! Ik heb niet op woeker geleend, en men heeft mij niet op woeker geleend; toch vloekt ieder van hen mij.

11

De HEER zei: Voorwaar, het zal uw overblijfsel welgaan; voorwaar, Ik zal bewerkstelligen dat de vijand u goed behandelt in de tijd van het kwaad en in de tijd van benauwdheid.

12

Kan ijzer het ijzer uit het noorden en het staal breken?

13

Uw vermogen en al uw schatten zal Ik prijsgeven als buit, zonder prijs, en dat vanwege al uw zonden, in al uw gebieden.

14

En Ik zal u met uw vijanden doen doortrekken naar een land dat u niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, dat over u zal branden.

15

O HEER, U weet het; gedenk mij en bezoek mij, en wreek mij op mijn vervolgers. Neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid; weet dat ik om Uwentwil smaad gedragen heb.

16

Uw woorden werden gevonden, en ik at ze; en Uw woord was mij tot vreugde en blijdschap van mijn hart; want ik ben naar Uw naam genoemd, o HEER, God der heerscharen.

17

Ik zat niet in de vergadering der spotters, noch verheugde ik mij; ik zat eenzaam vanwege Uw hand, want U had mij gevuld met verontwaardiging.

18

Waarom is mijn pijn bestendig, en mijn wond ongeneeslijk, die weigert genezen te worden? Zult U voor mij geheel als een bedrieglijke beek zijn, als wateren die niet betrouwbaar zijn?

19

Daarom zegt de HEER aldus: Als gij u bekeert, dan zal Ik u herstellen, en gij zult voor Mijn aangezicht staan; en als gij het kostbare van het waardeloze afzondert, zult gij als Mijn mond zijn. Laten zij tot u terugkeren, maar keer gij niet tot hen terug.