Jeremia 2:17
“Hebt u dit uzelf niet aangedaan, doordat u de HEER, uw God, hebt verlaten, toen Hij u op de weg leidde?”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 2 — omringende verzen
Ontzet u hierover, gij hemelen, en siddert, wordt zeer verwoest, spreekt de HEER.
13Want Mijn volk heeft twee kwade dingen gedaan: Mij hebben zij verlaten, de Fontein van levend water, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken die geen water kunnen houden.
14Is Israël een knecht? Is hij een in huis geboren slaaf? Waarom is hij tot een buit geworden?
15De jonge leeuwen brulden tegen hem en verhieven hun stem; en zij hebben zijn land tot een woestenij gemaakt; zijn steden zijn verbrand, zonder inwoner.
16Ook hebben de kinderen van Nof en Tachpanhes u de schedel ingeslagen.
Hebt u dit uzelf niet aangedaan, doordat u de HEER, uw God, hebt verlaten, toen Hij u op de weg leidde?
En nu, wat hebt u te maken met de weg naar Egypte, om de wateren van de Sichor te drinken? Of wat hebt u te maken met de weg naar Assyrië, om de wateren van de Rivier te drinken?
19Uw eigen boosheid zal u tuchtigen en uw afkeringen zullen u bestraffen; weet dan en zie dat het kwaad en bitter is dat u de HEER, uw God, hebt verlaten, en dat Mijn vreze niet in u is, spreekt de Heer, de HEER der heerscharen.
20Want van oudsher heb Ik uw juk verbroken en uw banden verscheurd; en u zeide: Ik zal niet overtreden; terwijl u op elke hoge heuvel en onder elke groene boom ronddwaalde, hoererend.
21Nochtans had Ik u geplant als een edele wijnstok, geheel een trouw zaad; hoe zijt u dan voor Mij veranderd in uitartende ranken van een vreemde wijnstok?
22Want al waste u zich met loog en gebruikte u veel zeep, toch blijft uw ongerechtigheid voor Mij getekend, spreekt de Heer HEER.