Terug naar Jeremia 2
VSV
Statenvertaling

Jeremia 2:25

Weerhou uw voet van ontbloot te zijn en uw keel van dorst; maar u zeide: Het is hopeloos; nee, want ik heb vreemden liefgehad en achter hen zal ik gaan.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 2 — omringende verzen

20

Want van oudsher heb Ik uw juk verbroken en uw banden verscheurd; en u zeide: Ik zal niet overtreden; terwijl u op elke hoge heuvel en onder elke groene boom ronddwaalde, hoererend.

21

Nochtans had Ik u geplant als een edele wijnstok, geheel een trouw zaad; hoe zijt u dan voor Mij veranderd in uitartende ranken van een vreemde wijnstok?

22

Want al waste u zich met loog en gebruikte u veel zeep, toch blijft uw ongerechtigheid voor Mij getekend, spreekt de Heer HEER.

23

Hoe kunt u zeggen: Ik ben niet verontreinigd, ik ben de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, weet wat u hebt gedaan; u bent een snelle, jonge kameel die heen en weer loopt op haar wegen.

24

Een wilde ezelin, gewend aan de woestijn, die in haar begeerte de wind opsnuift; wie kan haar, als zij bronstig is, afwenden? Allen die haar zoeken hoeven zich niet te vermoeien; in haar maand zullen zij haar vinden.

25

Weerhou uw voet van ontbloot te zijn en uw keel van dorst; maar u zeide: Het is hopeloos; nee, want ik heb vreemden liefgehad en achter hen zal ik gaan.

26

Zoals de dief beschaamd staat als hij betrapt wordt, zo staat het huis van Israël beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten, en hun priesters en hun profeten.

27

Die tot een stuk hout zeggen: U bent mijn vader, en tot een steen: U hebt mij voortgebracht; want zij hebben Mij de nek toegekeerd en niet het aangezicht; maar in de tijd van hun benauwdheid zeggen zij: Sta op en verlos ons.

28

Maar waar zijn uw goden die u voor uzelf hebt gemaakt? Laat hen opstaan, als zij u kunnen verlossen in de tijd van uw benauwdheid; want naar het getal van uw steden zijn uw goden, o Juda.

29

Waarom wilt u met Mij twisten? U allen hebt tegen Mij overtreden, spreekt de HEER.

30

Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben geen tucht aangenomen; uw eigen zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verwoestende leeuw.