Terug naar Jeremia 31
VSV
Statenvertaling

Jeremia 31:20

Is Efraïm Mij een dierbare zoon? Is hij een kind van Mijn vermaak? Want sedert Ik tegen hem gesproken heb, gedenk Ik hem nog steeds ernstig; daarom is Mijn binnenste over hem ontroerd; Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, zegt de HEER.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 31 — omringende verzen

15

Zo zegt de HEER: Er is een stem gehoord in Rama, een weeklacht, een bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij er niet meer zijn.

16

Zo zegt de HEER: Bedwing uw stem van geween en uw ogen van tranen; want uw werk zal beloond worden, zegt de HEER, en zij zullen terugkeren uit het land van de vijand.

17

En er is hoop voor uw toekomst, zegt de HEER, dat uw kinderen zullen terugkeren naar hun eigen gebied.

18

Ik heb Efraïm zeker horen klagen, aldus: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een kalf dat aan het juk niet gewend is; bekeer mij, en ik zal bekeerd worden, want Gij zijt de HEER, mijn God.

19

Voorwaar, nadat ik bekeerd was, heb ik berouw gehad; en nadat ik onderwezen was, sloeg ik op mijn heup; ik was beschaamd, ja, ook schaamte werd ik gewaar, omdat ik de smaad van mijn jeugd droeg.

20

Is Efraïm Mij een dierbare zoon? Is hij een kind van Mijn vermaak? Want sedert Ik tegen hem gesproken heb, gedenk Ik hem nog steeds ernstig; daarom is Mijn binnenste over hem ontroerd; Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, zegt de HEER.

21

Richt u wegwijzers op, maak u hoge heuvels; zet uw hart op de hoofdweg, de weg die u gegaan zijt; keer weder, o maagd van Israël, keer weder tot deze uw steden.

22

Hoelang zult u heen en weer zwerven, gij afkerige dochter? Want de HEER heeft een nieuw ding op de aarde geschapen: een vrouw zal een man omringen.

23

Zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Nog zullen zij dit woord spreken in het land van Juda en in zijn steden, wanneer Ik hun gevangenschap zal doen keren: De HEER zegene u, o woning der gerechtigheid, en berg der heiligheid.

24

En daarin zal Juda zelf wonen, en al zijn steden te zamen, landslieden en zij die met kudden uittrekken.

25

Want Ik heb de vermoeide ziel verzadigd en iedere bedroefde ziel vervuld.