Terug naar Jeremia 31
VSV
Statenvertaling

Jeremia 31:24

En daarin zal Juda zelf wonen, en al zijn steden te zamen, landslieden en zij die met kudden uittrekken.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 31 — omringende verzen

19

Voorwaar, nadat ik bekeerd was, heb ik berouw gehad; en nadat ik onderwezen was, sloeg ik op mijn heup; ik was beschaamd, ja, ook schaamte werd ik gewaar, omdat ik de smaad van mijn jeugd droeg.

20

Is Efraïm Mij een dierbare zoon? Is hij een kind van Mijn vermaak? Want sedert Ik tegen hem gesproken heb, gedenk Ik hem nog steeds ernstig; daarom is Mijn binnenste over hem ontroerd; Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, zegt de HEER.

21

Richt u wegwijzers op, maak u hoge heuvels; zet uw hart op de hoofdweg, de weg die u gegaan zijt; keer weder, o maagd van Israël, keer weder tot deze uw steden.

22

Hoelang zult u heen en weer zwerven, gij afkerige dochter? Want de HEER heeft een nieuw ding op de aarde geschapen: een vrouw zal een man omringen.

23

Zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Nog zullen zij dit woord spreken in het land van Juda en in zijn steden, wanneer Ik hun gevangenschap zal doen keren: De HEER zegene u, o woning der gerechtigheid, en berg der heiligheid.

24

En daarin zal Juda zelf wonen, en al zijn steden te zamen, landslieden en zij die met kudden uittrekken.

25

Want Ik heb de vermoeide ziel verzadigd en iedere bedroefde ziel vervuld.

26

Hierop werd ik wakker en zag om; en mijn slaap was mij zoet geweest.

27

Zie, de dagen komen, zegt de HEER, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en met zaad van beesten.

28

En het zal geschieden dat gelijk Ik over hen gewaakt heb om uit te rukken en af te breken, en omver te werpen en te verderven en kwaad te doen, zo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, zegt de HEER.

29

In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben zure druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden.