Jeremia 31:28
“En het zal geschieden dat gelijk Ik over hen gewaakt heb om uit te rukken en af te breken, en omver te werpen en te verderven en kwaad te doen, zo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, zegt de HEER.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 31 — omringende verzen
Zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Nog zullen zij dit woord spreken in het land van Juda en in zijn steden, wanneer Ik hun gevangenschap zal doen keren: De HEER zegene u, o woning der gerechtigheid, en berg der heiligheid.
24En daarin zal Juda zelf wonen, en al zijn steden te zamen, landslieden en zij die met kudden uittrekken.
25Want Ik heb de vermoeide ziel verzadigd en iedere bedroefde ziel vervuld.
26Hierop werd ik wakker en zag om; en mijn slaap was mij zoet geweest.
27Zie, de dagen komen, zegt de HEER, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en met zaad van beesten.
En het zal geschieden dat gelijk Ik over hen gewaakt heb om uit te rukken en af te breken, en omver te werpen en te verderven en kwaad te doen, zo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, zegt de HEER.
In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben zure druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden.
30Maar ieder zal sterven om zijn eigen ongerechtigheid; ieder mens die de zure druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.
31Zie, de dagen komen, zegt de HEER, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal.
32Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, ten dage toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te voeren; welk Mijn verbond zij verbroken hebben, hoewel Ik hun een man was, zegt de HEER.
33Maar dit zal het verbond zijn dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de HEER: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.