Jeremia 31:32
“Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, ten dage toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te voeren; welk Mijn verbond zij verbroken hebben, hoewel Ik hun een man was, zegt de HEER.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 31 — omringende verzen
Zie, de dagen komen, zegt de HEER, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en met zaad van beesten.
28En het zal geschieden dat gelijk Ik over hen gewaakt heb om uit te rukken en af te breken, en omver te werpen en te verderven en kwaad te doen, zo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, zegt de HEER.
29In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben zure druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden.
30Maar ieder zal sterven om zijn eigen ongerechtigheid; ieder mens die de zure druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.
31Zie, de dagen komen, zegt de HEER, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal.
Niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, ten dage toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te voeren; welk Mijn verbond zij verbroken hebben, hoewel Ik hun een man was, zegt de HEER.
Maar dit zal het verbond zijn dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de HEER: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
34En zij zullen niet meer ieder zijn naaste en ieder zijn broeder leren, zeggende: Kent de HEER; want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste tot hun grootste, zegt de HEER; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.
35Zo zegt de HEER, Die de zon geeft tot een licht bij dag, en de verordeningen van de maan en van de sterren tot een licht bij nacht, Die de zee verdeelt als haar golven bruisen; HEER der heerscharen is Zijn Naam:
36Als die verordeningen voor Mijn aangezicht zouden wijken, spreekt de HEER, dan zou ook het nageslacht van Israël ophouden een volk voor Mij te zijn voor altijd.
37Zo zegt de HEER: Als de hemel daarboven gemeten kan worden en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, dan zal Ik ook al het nageslacht van Israël verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de HEER.