Terug naar Jeremia 32
VSV
Statenvertaling

Jeremia 32:23

En zij kwamen er in en namen het in bezit; maar zij gehoorzaamden Uw stem niet, noch wandelden zij in Uw wet; niets van al wat U hun geboden had te doen, hebben zij gedaan: daarom hebt U al dit kwaad over hen doen komen;

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 32 — omringende verzen

18

U bewijst goedertierenheid aan duizenden en vergeldt de ongerechtigheid der vaderen in de schoot van hun kinderen na hen: de Grote, de Machtige God, de HEER der heerscharen is Zijn naam,

19

Groot van raad en machtig van werk; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen: om een ieder te vergelden naar zijn wegen en naar de vrucht zijner daden:

20

U, die tekenen en wonderen in het land Egypte gesteld hebt, zelfs tot op deze dag, en in Israël en onder de mensen; en U hebt U een naam gemaakt, zoals het heden ten dage is;

21

En U hebt Uw volk Israël uitgeleid uit het land Egypte met tekenen en met wonderen, met een sterke hand en met een uitgestrekte arm, en met grote verschrikking;

22

En U hebt hun dit land gegeven, dat U hun vaderen gezworen had hun te geven, een land vloeiende van melk en honing;

23

En zij kwamen er in en namen het in bezit; maar zij gehoorzaamden Uw stem niet, noch wandelden zij in Uw wet; niets van al wat U hun geboden had te doen, hebben zij gedaan: daarom hebt U al dit kwaad over hen doen komen;

24

Zie de stormbelegeringswerken, zij zijn bij de stad gekomen om haar in te nemen; en de stad is gegeven in de hand der Chaldeeën die haar bestrijden, vanwege het zwaard, en de honger, en de pestilentie; en wat U gesproken hebt is geschied; en zie, U aanschouwt het.

25

En U hebt tot mij gezegd, o Heer HEER: Koop u het veld voor geld en neem getuigen; want de stad is gegeven in de hand der Chaldeeën.

26

Toen kwam het woord van de HEER tot Jeremia, zeggende:

27

Zie, Ik ben de HEER, de God van alle vlees: is er iets te wonderlijk voor Mij?

28

Daarom, zo zegt de HEER: Zie, Ik zal deze stad geven in de hand der Chaldeeën en in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en hij zal haar innemen: