Terug naar Jeremia 32
VSV
Statenvertaling

Jeremia 32:27

Zie, Ik ben de HEER, de God van alle vlees: is er iets te wonderlijk voor Mij?

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 32 — omringende verzen

22

En U hebt hun dit land gegeven, dat U hun vaderen gezworen had hun te geven, een land vloeiende van melk en honing;

23

En zij kwamen er in en namen het in bezit; maar zij gehoorzaamden Uw stem niet, noch wandelden zij in Uw wet; niets van al wat U hun geboden had te doen, hebben zij gedaan: daarom hebt U al dit kwaad over hen doen komen;

24

Zie de stormbelegeringswerken, zij zijn bij de stad gekomen om haar in te nemen; en de stad is gegeven in de hand der Chaldeeën die haar bestrijden, vanwege het zwaard, en de honger, en de pestilentie; en wat U gesproken hebt is geschied; en zie, U aanschouwt het.

25

En U hebt tot mij gezegd, o Heer HEER: Koop u het veld voor geld en neem getuigen; want de stad is gegeven in de hand der Chaldeeën.

26

Toen kwam het woord van de HEER tot Jeremia, zeggende:

27

Zie, Ik ben de HEER, de God van alle vlees: is er iets te wonderlijk voor Mij?

28

Daarom, zo zegt de HEER: Zie, Ik zal deze stad geven in de hand der Chaldeeën en in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en hij zal haar innemen:

29

En de Chaldeeën die deze stad bestrijden, zullen komen en deze stad in brand steken en haar verbranden, met de huizen waarvan men op de daken reukoffers gebrand heeft aan Baäl en drankoffers uitgegoten heeft voor andere goden, om Mij tot toorn te verwekken.

30

Want de kinderen Israëls en de kinderen van Juda hebben van hun jeugd af alleen kwaad gedaan voor Mijn aangezicht: want de kinderen Israëls hebben Mij alleen maar tot toorn verwekt door het werk hunner handen, spreekt de HEER.

31

Want deze stad is Mij tot een aanleiding van toorn en gramschap geweest van de dag dat zij gebouwd werd tot op deze dag, zodat Ik haar van Mijn aangezicht moet verwijderen,

32

Vanwege al het kwaad der kinderen Israëls en der kinderen van Juda, hetwelk zij gedaan hebben om Mij tot toorn te verwekken, zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten, en de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.