Terug naar Jeremia 33
VSV
Statenvertaling

Jeremia 33:5

Zij komen om te strijden met de Chaldeeën, maar het is om ze te vullen met de dode lichamen der mensen, die Ik geslagen heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid, en om wier ganse goddeloosheid Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 33 — omringende verzen

1

Verder kwam het woord van de HEER tot Jeremia ten tweede male, terwijl hij nog opgesloten was in de voorhof der gevangenis, zeggende:

2

Zo zegt de HEER, die dit gemaakt heeft, de HEER die het gevormd heeft om het te bevestigen; de HEER is Zijn naam:

3

Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u grote en ondoorgrondelijke dingen tonen, die u niet weet.

4

Want zo zegt de HEER, de God van Israël, aangaande de huizen van deze stad en aangaande de huizen der koningen van Juda, die afgebroken zijn door de stormbelegeringswerken en door het zwaard;

5

Zij komen om te strijden met de Chaldeeën, maar het is om ze te vullen met de dode lichamen der mensen, die Ik geslagen heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid, en om wier ganse goddeloosheid Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb.

6

Zie, Ik zal haar gezondheid en genezing brengen, en Ik zal hen genezen, en Ik zal hun een overvloed van vrede en waarheid openbaren.

7

En Ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en Ik zal hen opbouwen, als in den beginne.

8

En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal al hun ongerechtigheden vergeven, waarmee zij gezondigd hebben en waarmee zij tegen Mij overtreden hebben.

9

En het zal Mij tot een naam van vreugde, tot een lof en tot een eer zijn voor al de volken der aarde, die al het goede zullen horen dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beven om al het goede en om al de voorspoed die Ik haar bereid.

10

Zo zegt de HEER: Wederom zal in deze plaats gehoord worden, waarvan u zegt dat het verlaten is zonder mens en zonder dier, ja in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die verlaten zijn, zonder mens, zonder inwoner en zonder dier,