Jeremia 33:9
“En het zal Mij tot een naam van vreugde, tot een lof en tot een eer zijn voor al de volken der aarde, die al het goede zullen horen dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beven om al het goede en om al de voorspoed die Ik haar bereid.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 33 — omringende verzen
Want zo zegt de HEER, de God van Israël, aangaande de huizen van deze stad en aangaande de huizen der koningen van Juda, die afgebroken zijn door de stormbelegeringswerken en door het zwaard;
5Zij komen om te strijden met de Chaldeeën, maar het is om ze te vullen met de dode lichamen der mensen, die Ik geslagen heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid, en om wier ganse goddeloosheid Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb.
6Zie, Ik zal haar gezondheid en genezing brengen, en Ik zal hen genezen, en Ik zal hun een overvloed van vrede en waarheid openbaren.
7En Ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en Ik zal hen opbouwen, als in den beginne.
8En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal al hun ongerechtigheden vergeven, waarmee zij gezondigd hebben en waarmee zij tegen Mij overtreden hebben.
En het zal Mij tot een naam van vreugde, tot een lof en tot een eer zijn voor al de volken der aarde, die al het goede zullen horen dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beven om al het goede en om al de voorspoed die Ik haar bereid.
Zo zegt de HEER: Wederom zal in deze plaats gehoord worden, waarvan u zegt dat het verlaten is zonder mens en zonder dier, ja in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem, die verlaten zijn, zonder mens, zonder inwoner en zonder dier,
11De stem der vreugde en de stem der blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de stem van hen die zeggen: Looft de HEER der heerscharen, want de HEER is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid; en van hen die een lofoffer brengen in het huis van de HEER. Want Ik zal de gevangenis des lands wenden, als in den beginne, spreekt de HEER.
12Zo zegt de HEER der heerscharen: Nog eens zal er in deze plaats, die verwoest is zonder mens en zonder dier, en in al haar steden, een woonplaats zijn van herders die hun kudden doen neerliggen.
13In de steden van de bergen, in de steden van het dal, in de steden van het zuiden, in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de kudden wederom de revue passeren onder de handen van hem die ze telt, zegt de HEER.
14Zie, de dagen komen, zegt de HEER, dat Ik het goede woord zal vervullen dat Ik gesproken heb tot het huis van Israël en tot het huis van Juda.