Jeremia 36:15
“En zij zeiden tot hem: Ga toch zitten en lees deze voor onze oren. En Baruch las voor hun oren.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 36 — omringende verzen
Toen las Baruch in het boek de woorden van Jeremia in het huis des HEEREN, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, in de bovenste voorhof, bij de ingang van de nieuwe poort van het huis des HEEREN, voor de oren van het gehele volk.
11Toen Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, uit het boek al de woorden des HEEREN gehoord had,
12ging hij af naar het huis des konings, naar de kamer van de schrijver; en zie, daar zaten al de vorsten: Elisama, de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemarja, de zoon van Safan, en Sedekia, de zoon van Hananja, en al de vorsten.
13En Michaja verkondigde hun al de woorden die hij gehoord had, toen Baruch het boek las voor de oren van het volk.
14Daarom zonden al de vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cuschi, tot Baruch, zeggende: Neem de boekrol in uw hand, waaruit gij gelezen hebt voor de oren van het volk, en kom. En Baruch, de zoon van Neria, nam de boekrol in zijn hand en kwam tot hen.
En zij zeiden tot hem: Ga toch zitten en lees deze voor onze oren. En Baruch las voor hun oren.
En het geschiedde, toen zij al de woorden gehoord hadden, dat zij verschrikt tegen elkaar opzagen en tot Baruch zeiden: Wij zullen de koning zeker van al deze woorden berichten.
17En zij vroegen Baruch, zeggende: Vertel ons toch: hoe hebt gij al deze woorden uit zijn mond geschreven?
18Toen antwoordde Baruch hun: Hij sprak al deze woorden uit zijn mond tot mij uit, en ik schreef ze met inkt in het boek.
19Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, gij en Jeremia, en laat niemand weten waar gij zijt.
20En zij gingen naar de koning toe, in de voorhof, maar de boekrol legden zij weg in de kamer van Elisama, de schrijver, en zij berichtten al de woorden voor de oren van de koning.