Jeremia 36:19
“Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, gij en Jeremia, en laat niemand weten waar gij zijt.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 36 — omringende verzen
Daarom zonden al de vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cuschi, tot Baruch, zeggende: Neem de boekrol in uw hand, waaruit gij gelezen hebt voor de oren van het volk, en kom. En Baruch, de zoon van Neria, nam de boekrol in zijn hand en kwam tot hen.
15En zij zeiden tot hem: Ga toch zitten en lees deze voor onze oren. En Baruch las voor hun oren.
16En het geschiedde, toen zij al de woorden gehoord hadden, dat zij verschrikt tegen elkaar opzagen en tot Baruch zeiden: Wij zullen de koning zeker van al deze woorden berichten.
17En zij vroegen Baruch, zeggende: Vertel ons toch: hoe hebt gij al deze woorden uit zijn mond geschreven?
18Toen antwoordde Baruch hun: Hij sprak al deze woorden uit zijn mond tot mij uit, en ik schreef ze met inkt in het boek.
Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, gij en Jeremia, en laat niemand weten waar gij zijt.
En zij gingen naar de koning toe, in de voorhof, maar de boekrol legden zij weg in de kamer van Elisama, de schrijver, en zij berichtten al de woorden voor de oren van de koning.
21Toen zond de koning Jehudi om de boekrol te halen, en hij nam haar uit de kamer van Elisama, de schrijver. En Jehudi las haar voor de oren van de koning en voor de oren van al de vorsten die bij de koning stonden.
22De koning nu zat in het winterhuis, in de negende maand, en er was een vuur in de vuurpot voor hem brandende.
23En het geschiedde, toen Jehudi drie of vier bladen gelezen had, dat hij het met een schrijfmes afsneed en in het vuur wierp dat in de vuurpot was, totdat de gehele boekrol verteerd was in het vuur dat in de vuurpot was.
24En zij werden niet bevreesd en scheurden hun klederen niet, noch de koning, noch enige van zijn dienaren die al deze woorden hoorden.