Jeremia 36:21
“Toen zond de koning Jehudi om de boekrol te halen, en hij nam haar uit de kamer van Elisama, de schrijver. En Jehudi las haar voor de oren van de koning en voor de oren van al de vorsten die bij de koning stonden.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 36 — omringende verzen
En het geschiedde, toen zij al de woorden gehoord hadden, dat zij verschrikt tegen elkaar opzagen en tot Baruch zeiden: Wij zullen de koning zeker van al deze woorden berichten.
17En zij vroegen Baruch, zeggende: Vertel ons toch: hoe hebt gij al deze woorden uit zijn mond geschreven?
18Toen antwoordde Baruch hun: Hij sprak al deze woorden uit zijn mond tot mij uit, en ik schreef ze met inkt in het boek.
19Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, gij en Jeremia, en laat niemand weten waar gij zijt.
20En zij gingen naar de koning toe, in de voorhof, maar de boekrol legden zij weg in de kamer van Elisama, de schrijver, en zij berichtten al de woorden voor de oren van de koning.
Toen zond de koning Jehudi om de boekrol te halen, en hij nam haar uit de kamer van Elisama, de schrijver. En Jehudi las haar voor de oren van de koning en voor de oren van al de vorsten die bij de koning stonden.
De koning nu zat in het winterhuis, in de negende maand, en er was een vuur in de vuurpot voor hem brandende.
23En het geschiedde, toen Jehudi drie of vier bladen gelezen had, dat hij het met een schrijfmes afsneed en in het vuur wierp dat in de vuurpot was, totdat de gehele boekrol verteerd was in het vuur dat in de vuurpot was.
24En zij werden niet bevreesd en scheurden hun klederen niet, noch de koning, noch enige van zijn dienaren die al deze woorden hoorden.
25Hoewel Elnathan en Delaja en Gemarja bij de koning aangedrongen hadden dat hij de boekrol niet zou verbranden, maar hij wilde naar hen niet luisteren.
26Maar de koning gebood Jerachmeël, de zoon van Hammelech, en Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, om Baruch, de schrijver, en Jeremia, de profeet, te grijpen; maar de HEER verborg hen.